Gepubliceerd op 21 January 2021 om 16h04
Door Alain Trappeniers

Openbaar vervoer: de kleinste speler in het woon-werkverkeer

Trein, tram en bus, kortweg het openbaar vervoer, is de kleinste speler in het woon-werkverkeer van werknemers. Iets
meer dan 6 procent van de werknemers in ons land verplaatst zich uitsluitend met het openbaar vervoer van en naar het
werk. Een kleine minderheid combineert bus, tram of trein met de fiets en/of de auto. Er zijn regionale verschillen tussen
Vlaanderen, Brussel en Wallonië.

WAT IS DAT?

Wanneer de werknemer het openbaar vervoer gebruikt, is de werkgever in principe verplicht om tussen te komen in de vervoerkosten. Voor het woon-en werkverkeer met de trein wordt de tussenkomst van de werkgever in de prijs berekend op basis van de tabel met forfaitaire bedragen. Mogelijk is er een derdebetalersregeling, die een tegemoetkoming door de overheid in de treinkaart mogelijk maakt.

Sinds 1 juli 2020 is elke werkgever in de privésector verplicht om tussen te komen in de kosten voor bus, metro en tram van elke werknemer, ongeacht het aantal afgelegde kilometers door de werknemer in het kader van het woon-werkverkeer. Het bedrag van die tegemoetkoming is ofwel variabel in functie van de afstand, ofwel vast.

 

VOOR- EN NADELEN

In het kader van de (duurzame) modal shift wordt het gebruik van alternatieve vervoersmiddelen zoals tram, trein en bus aanbevolen voor woon-en werkverkeer. Met het openbaar vervoer naar het werk reizen maakt mobiliteit duurzamer en is beter voor het milieu. Werkgevers die hun medewerkers financieel tegemoetkomen in woon-en werkverkeer met het openbaar vervoer genieten fiscale stimuli, en in principe moeten op de tegemoetkomingen geen belasting of RSZbijdragen worden betaald.

Pendelen met het openbaar vervoer biedt de werknemer de mogelijkheid om onderweg te werken of te rusten zodat hij/zij geïnformeerd/uitgerust aankomt.

Het openbaar vervoer in België is helaas niet altijd een baken van vertrouwen. Geregeld komen werknemers te laat door vertragingen van de trein, tram of bus. Ondanks investeringen in het openbaar vervoer op belangrijke woon-en werkassen is de dichtstbijzijnde halte/station voor heel wat werknemers redelijk ver van hun woonplaats verwijderd. Ook zijn er geregeld klachten over plaatsgebrek op het openbaar vervoer.

 

PROFIEL

Bij gebruikers van het openbaar vervoer is het aantal multimodale reizigers in de meerderheid. Zich multimodaal verplaatsen is trouwens het populairst in grootstedelijke omgevingen zoals het filegevoelige Antwerpen en Brussel. Bus, tram, trein en/of metro worden vaker gebruikt door 18- tot 24-jarigen, ambtenaren en academische masters.

Dat blijkt uit het Mobiliteitsrapport 2020 van Jobat.

 

SAMENVATTING

  • Met de bus, trein of tram van en naar het werk reizen helpt de mobiliteit verduurzamen en is goed voor het milieu.
  • Werkgevers genieten fiscale stimuli en betalen geen RSZ-bijdragen of belasting op de tegemoetkomingen voor het woon-en werkverkeer met het openbaar vervoer.
  • Uitdagingen zijn er voor het openbaar vervoer door de vertragingen, het plaatsgebrek en de afstand van de dichtstbijzijnde halte/station naar de woonplaats van de werknemer.

 


DE FISCALE REGELS VOOR OPENBAAR VERVOER

GEVOLGEN VOOR DE WERKNEMER

De werkgeverstegemoetkoming voor het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer (trein, tram, bus, waterbus en metro) is volledig vrij van belastingen voor zover de werknemer een beroep doet op de forfaitaire aftrek van zijn beroepskosten in de personenbelasting.

GEVOLGEN VOOR DE WERKGEVER

Sinds 1 juli 2020 moet de werkgever vanaf de eerste kilometer bijdragen in de prijs van een abonnement voor openbaar vervoer. Voor de trein speelde de minimumafstand nooit een rol. Er zijn geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd op de vergoedingen die de werkgever aan zijn werknemer stort als terugbetaling van werkelijk gemaakte kosten voor zijn woon-werkverplaatsingen met het openbaar vervoer. De fiscale aftrekbaarheid bedraagt voor de werkgever 100 procent.

OPENBAAR VERVOER EN MOBILITEITSBUDGET

Kosten voor openbaar vervoer kunnen een onderdeel zijn van pijler 2 (alternatieve en duurzame vervoersmiddelen). Deze uitgaven genieten een fiscale en RSZ-vrijstelling. De fiscale aftrekbaarheid bedraagt voor de werkgever 100 procent. Niet alleen abonnementen op naam en biljetten van de openbare vervoersmaatschappijen komen in aanmerking. Ook verplaatsingen met een intercitybus of hogesnelheidstrein zijn toegelaten.


 

Alain Trappeniers

Alain Trappeniers, redacteur van dit artikel